Geplaatst op

ZLKLS – LEESBLADEN VAN DE BVS

Ruim tien jaar geleden maakten we de leesbladen ‘Kinderen Leren Lezen’, om leerkrachten te helpen aan materiaal voor het verzorgen van hun leesinstructie. We volgden de opbouw van de aanpak ‘zo leer je kinderen lezen en spellen’ (zlkls, Jose Schraven). We schreven met veel plezier teksten en zochten woorden bij elkaar die passend waren voor het vrijeschoolaanbod, het periodeonderwijs, de jaarfeesten en de interesses van de kinderen in de betreffende leeftijdsfasen. Het werden voorbeelden, ook om leerkrachten te kunnen helpen die er niet zo van houden om zelf leesbladen te schrijven.

 

Vlak daarna kwam met de methode Staal spelling, uitgegeven door Malmberg, ook spellingaanbod beschikbaar, passend bij de zlkls-methodiek. 

 

Volgorde
Een van de basisprincipes van zlkls is dat lezen voorafgaat aan spelling. Een leesinstructie wordt altijd eerder aangeboden dan de bij de categorie behorende spellinginstructie. 

 

Lezen is eenvoudiger dan spellen, je hoeft alleen te verklanken wat je ziet. Je hoeft het niet te bedenken. Bij spelling moet je zelf een regel toepassen, gehoorzamen aan de afspraak, het daadwerkelijk doen. 

 

Door helder onderscheid te maken tussen spellen en lezen werken leerkrachten preventief: doordat leerlingen al veelvuldig de correct gespelde woorden hebben gelezen, hebben ze er al een woordbeeld van opgebouwd nog voordat ze de spellingsregel leren toepassen. Daardoor is er een kleinere kans dat ze een verkeerd woordbeeld inslijpen. Wij blijven dit principe van harte ondersteunen. 

 

In de afgelopen jaren zijn er in volgorde van het spellingaanbod enkele aanpassingen doorgevoerd. We zijn blij met deze aanpassingen; de veranderingen zijn in onze ogen ook echt verbeteringen. Om het hechte bouwwerk van aanbod bij spelling en lezen recht te doen, is het nu wel nodig om onze bladen te herzien en de volgorde ervan aan de nieuwe inzichten aan te passen. We hebben zin om onze leesbladen aan te vullen, soms te herschrijven. De komende tijd gaan we hiermee aan de slag. Ter inspiratie hebben we aan leesspecialisten, klassen en kinderen gevraagd om mee te denken over onderwerpen en om te vertellen wat hun favoriete leesbladen zijn. Vaak waren dat de dialogen, toneelteksten of gedichtjes. Ook raadsels en jaarfeesten werden veel genoemd. We vonden het bijzonder leuk om te lezen dat het recept ‘hoe bak je een ei’ wekenlang ergens op een koelkast heeft gehangen. 

 

Wanneer de aanvullingen en herschreven bladen klaar zijn, sluit alles weer naadloos aan bij materiaal van Staal 2 (spelling) en leesmateriaal dat vaak als remediërend wordt ingezet bij lezen (Lezen in groep 4 en Lezen in groep 5, J. Schraven, Pica). In de nieuwe leerlijnen bij de herziene kerndoelen houden we zowel voor spelling als voor technisch lezen ook de nieuwe volgorde aan.

 

Voor scholen die al gebruik maken van Staal 2 of de leesmaterialen van Jose Schraven, maakten we een overzicht van ons aanbod tot nu toe. Daarmee kan iedereen onze al bestaande leesbladen herschikken en blijven gebruiken, totdat de nieuwe beschikbaar zijn. 

 

Dit overzicht is hier te downloaden.

1e kolom: wat de nieuwe volgorde is 

2e kolom de naam van de tekst 

3e kolom het oude leesbladnummer en dat wat we gaan aanvullen of weglaten. 

 

Wij hopen dat leerkrachten door onze leesbladen worden gestimuleerd en bemoedigd om zelf (ook) leesmateriaal te ontwerpen.

 

Namens BVS Ineke van Gelder en Annechien Wijnbergh

Geplaatst op

een plek voor iedereen! toch?

‘Een plek voor iedereen! Toch?’  is het thema van de Week Tegen Pesten, 21 t/m 25 september is. Het woord ‘Toch?’ nodigt uit om niet meteen te denken dat het wel goed zit. Werken aan sociale veiligheid begint niet pas wanneer er gepest wordt.

 

Wat heeft onze klas nodig om een groep te zijn waarin iedereen tot zijn recht kan komen?

Een klas is meer dan een verzameling individuele kinderen. We voelen ons een ik, maar zijn allemaal onderdeel van een wij. We worden gestuurd en gevormd door de groep mensen waarin we leven, door de normen en verwachtingen die daar leven en door de plek die we daarin innemen.

Iedere groep kent mensen die gemakkelijk hun plek vinden en mensen die daar wat meer hulp bij nodig hebben. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid om ruimte te maken voor elkaar. 

Een groep heeft het individu nodig. Ieder kind brengt iets mee wat waardevol kan zijn voor het geheel. Maar andersom heeft het individu ook de draagkracht en de sympathie van de groep nodig om tot ontwikkeling te komen.

Op veel scholen zijn de eerste weken van het schooljaar gestart met de Gouden Weken. Vanuit de kennis over groepsdynamiek weten we dat als er een nieuwe groep  gevormd wordt, maar ook kinderen die elkaar al kennen na de vakantie opnieuw hun plek in de groep zoeken. Wie neemt initiatief? Wie volgt? Wie staat graag in het midden? Wie beweegt liever aan de rand?

 

In deze fase worden vaak kennismakings- en samenwerkingsspellen ingezet. Door elkaar beter te leren kennen, ontstaat meer begrip voor elkaar. Ook het leren geven van complimenten en het benoemen van wat goed gaat, draagt bij aan een positieve sfeer en versterkt het gevoel van verbondenheid.

Regels en afspraken in de klas en op school worden (opnieuw) besproken. Dit is geen eenmalige activiteit. 

Kinderen leren sociaal gedrag door het te ervaren, te oefenen en er samen over te praten. Daarom zijn kringgesprekken, rollenspellen, samenwerkingsspellen en momenten van reflectie zo waardevol. 

 

 

Vanaf klas 1 kun je al samen onderzoeken: Hoe willen wij met elkaar omgaan? Hoe zorgen we ervoor dat iedereen mee kan doen? Op welk moment hebben we fijn gewerkt en gespeeld vandaag?

Als je kinderen bij klassengesprekjes eerst in tweetallen laat nadenken en uitwisselen, krijgt ieder kind de gelegenheid om zijn of haar gedachten te vormen en actief mee te doen aan het gesprek.

Vanaf klas 3/4 kun je klassengesprekjes voeren rondom het thema van ‘erbij horen’ aan de hand van vragen als:

Wanneer voel jij dat je erbij hoort?Wat doet een ander waardoor jij je welkom voelt?Wat kun jij doen voor iemand die er buiten staat?

Met spelvormen als In en Uit de Knoop ervaren kinderen dat iedereen erbij hoort als je samenwerkt, terwijl met een spel als In de kring breken ervaren kan worden hoe het is er buiten te staan, maar misschien biedt de kring je wel een opening aan.

 

1. Sociale vaardigheid en groepsvorming zijn een doorlopend proces waarin kinderen leren om samen een groep te vormen waarin iedereen ertoe doet.

Als er in een klas onvoldoende draagkracht is voor één of meerdere kinderen, is het belangrijk om verder te kijken. Welk patroon is er in deze groep ontstaan? Wat speelt er onder de oppervlakte? En wat heeft deze groep nodig om de sociale veiligheid en verbondenheid te versterken?

Observeren in les- en vrije situaties wat er gebeurt, maar ook in gesprek gaan met kinderen. Kinderen weten vaak heel goed wat er onder de oppervlakte in de groep speelt. Bovendien willen de meeste kinderen graag dat het goed gaat met elkaar. Soms hebben ze alleen nog niet de vaardigheden om uit een eenmaal ontstane groepsdynamiek te stappen.

Spellen kunnen een leerproces ondersteunen. Dat kan al kort tussendoor. Met korte spelletjes als commando pinkelen wordt er geoefend aan bij jezelf blijven. Of laat kinderen zonder te praten op een rij gaan staan van klein naar groot, jong naar oud enzovoort en je bent aan het samenwerken. Als leerkracht kun je heel veel zien. Wie pakt een leidersrol en hoe doet ze dat? Laat de kinderen nadenken, delen en verwoorden waardoor het hun bijvoorbeeld (niet) goed lukte. Wat is een tip of een top. Elk spel zou je kunnen spelen, de reflectiegesprekjes tussendoor en na geven sociaal-emotionele handvatten. 

2. Conflicten en de sociale opvoeding

Twee kinderen hebben ruzie. We grijpen in, laten ze vertellen wat er is gebeurd, er volgen excuses en daarna gaan we weer verder.

Logisch. We willen rust.

Kunnen we een conflict ook als een ontwikkelkans zien?

Kinderen leren niet vanzelf omgaan met verschillen, grenzen, boosheid, teleurstelling en botsingen. Als we ieder conflict direct voor hen oplossen, nemen we hen ook de mogelijkheid af om iets nieuws te ontwikkelen.

Vanuit een antroposofische blik zijn deze kinderen in een klas niet zomaar bij elkaar. Ze hebben iets aan en met elkaar te leren.

Dat betekent niet dat we pesten of grensoverschrijdend gedrag moeten laten gebeuren. Integendeel. Een veilige groep vraagt om duidelijke grenzen én om volwassenen die kinderen helpen om sociale vaardigheden te ontwikkelen.

Hoe je als kind zelf geleerd hebt om met conflicten om te gaan, heeft invloed op hoe je er nu in staat. Je daar eerst bewust van worden, kan helpend zijn om de vraag te kunnen stellen: ‘Wat valt hier te leren?’

Wanneer kinderen leren om een conflict aan te gaan en samen tot een oplossing te komen, kan er daarna juist weer ruimte ontstaan. Je bent een stukje sociaal vaardiger geworden, door wakker te worden aan de ander.

Leer kinderen hoe ze voor zichzelf én voor een ander kunnen opkomen. Hoe ze ruzies samen kunnen oplossen. Oefen dat in rollenspellen, waarin je bijvoorbeeld een klein, dagelijks conflict als oefenmoment gebruikt, maar ook het uitspelen van verhalen, bijvoorbeeld fabels in klas 2. Spelenderwijs worden gedrag en emoties herkend en krijgen een naam. Hoe is het voor de schildpad dat hij zo traag is? Hij blijft er rustig onder en gaat gestaag z’n weg. Als de raaf niet zo ijdel was, had hij dan z’n kaas nog gehad? Waarom zou hij willen opscheppen over z’n stem? Hoe loop de vos op z’n doel af?

In hogere klassen kan het boek Stine, wat voel je? Een aanleiding zijn voor klassengesprekjes over emoties en jezelf en de ander beter te leren begrijpen. 

Niet ieder conflict hoeft meteen een grote les te worden. Maar ieder conflict kan een leermoment zijn. Samen daarna een draak tekenen , hoe groot is je papier, welke kleur zetten we waar neer, hoe doen we dat samen en dat de tekening ook af komt. Of een in klas 2 vormtekenen, de tekening met elkaar spiegelen.

3. De leerkracht: de eerste stap begint bij jezelf

Kun jij jezelf zien als een belangrijke sleutel in de groepsvorming?

Wanneer er iets speelt in een klas, kijken we gemakkelijk naar de kinderen.

Wie pest? Wie wordt buitengesloten? Wie loopt mee? Wie verstoort de les?

Maar voordat we naar de kinderen kijken, is het waardevol om naar onszelf te kijken. Opvoeding is immers zelfopvoeding in de antroposofie.

Wat raakt mij in dit gedrag? Welke aannames heb ik over dit kind? Wat zie ik werkelijk en wat vul ik in? Waar ligt mijn grens? Wat doet mijn reactie met de groep?

Onze innerlijke houding werkt door.

Een kind zegt bijvoorbeeld: ‘Ik vind dat spannend.’
En wij reageren: ‘Ach, dat hoeft toch niet.’

Goed bedoeld. Maar hebben we dan werkelijk geluisterd?

Kindgesprekken, observeren en nieuwsgierig blijven helpen om beter te begrijpen wat er onder de oppervlakte speelt. Ook het gesprek met collega’s helpt om ons beeld te verbreden: Wat zie jij? Wat valt jou op? En wat zie ik misschien nog niet?

Je hoeft als leerkracht niet alles op te lossen. Je bent de procesbegeleider die kinderen de ruimte geeft om te leren, fouten te maken en het weer opnieuw te proberen. Blik op het einde van de (les)dag even terug.

Wat was vandaag een gouden moment?
Wanneer ontstond er verbinding?
Waar zag ik groei?
Welke overtuiging of aanname van mij speelde misschien mee?

In kleine momenten kunnen wezenlijke leer- en ontmoetingsmomenten zitten, door deze bewust te worden, kan je blik en handelen de volgende dag net even anders en treffend zijn.

4. Ouders en school zijn partners in de sociale opvoeding van kinderen.

Kinderen bewegen iedere dag tussen twee belangrijke werelden: thuis en school. Juist daarom is het waardevol als ouders weten hoe school kijkt naar samenwerken, sociale veiligheid en weerbaar worden, en hoe hier in de klas aan wordt gewerkt. Zo kunnen ouders hier thuis op aansluiten en hun kind ook daar ondersteunen.

Een ouderavond is een plek om deze visie te delen en ouders mee te nemen in wat kinderen op school leren en oefenen.

Binnen een Regenboogtraining zijn er ook lessen waarbij ouders aansluiten. Dat levert meer op dan alleen het leren van een sociale vaardigheid. Het zorgt voor ontmoeting en verbinding tussen kinderen en ouders.

Neem bijvoorbeeld een werkvorm met een binnen- en buitenkring, vanaf klas 3. Kinderen en ouders vertellen elkaar over vroeger:

 

Wat speelde jij vroeger graag?
Maakte je weleens ruzie?
En hoe loste je dat dan weer op?

 

Voor kinderen kan het verrassend en geruststellend zijn om te ontdekken: ‘Onze ouders waren als kind ook onzeker of maakten ook ruzie. En die moest dat ook leren oplossen.’ Het maakt sociale situaties herkenbaar en menselijk.

 

Tegelijkertijd oefenen kinderen spelenderwijs met belangrijke vaardigheden: iemand begroeten, een gesprek voeren, luisteren, vragen stellen en bedanken.

Waardevol is dat ouders ook een andere kant van hun kind zien. Ze zien hoe hun kind contact maakt, luistert, vertelt en samenwerkt met anderen. En in bijvoorbeeld zo’n binnen-buitenkring ontmoeten ze klasgenoten van hun kinderen.

 

Informatie voor ouders:

Tijdens de ouderavond voorafgaand aan de Regenboogtraining vragen ouders regelmatig of er ook iets op papier beschikbaar is. Bij deze! Hieronder vindt u de belangrijkste informatie over de Regenboogtraining en de manier waarop we hiermee in de klas werken.

De Regenboogtraining is een sociaal-emotionele vaardigheidstraining, speciaal ontwikkeld voor het vrijeschoolonderwijs. In tien lessen oefenen kinderen op een speelse en kunstzinnige manier met sociale vaardigheden. Er wordt gewerkt met verhalen, spellen en kunstzinnige werkvormen. Kinderen leren bijvoorbeeld samenwerken, omgaan met verschillen, voor zichzelf opkomen, rekening houden met een ander en omgaan met conflicten.

Op de vrijeschool is er van nature veel aandacht voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. In de Regenboogtraining maken we dit nog wat explicieter. We bespreken vooraf wat we gaan oefenen en kijken tijdens en na een activiteit samen terug: Wat gebeurde er? Wat zag je bij jezelf en bij een ander? En wat zou je de volgende keer anders kunnen doen?

Een belangrijk uitgangspunt is dat gedrag niet is wie je bent. Gedrag kun je zien als een jas die je aan- en uit kunt trekken. Soms zit die jas zo stevig dat veranderen moeilijk is, maar we willen kinderen leren dat ze invloed hebben op hun eigen gedrag en dat er altijd een keuze mogelijk is.

We werken daarbij met vier kleuren: blauw, rood, geel en prisma. Blauw staat voor gedrag waarbij je graag de baas bent of veel bepaalt. Rood voor gedrag waarbij je veel grapjes maakt en graag de aandacht krijgt. Geel voor teruggetrokken of onzeker gedrag. Het prisma staat voor de balans tussen deze verschillende kanten. Je zorgt goed voor jezelf én voor de ander.

Bij de Regenboogtraining is plezier belangrijk: de spelende mens is ook de lerende mens. Wwanneer kinderen met plezier spelen, beleven en samen oefenen, ontstaat ruimte om nieuwe vaardigheden te ontdekken en te leren.

 

Waarom ouders erbij betrekken?

Ouders en school zijn samen partners in de sociale opvoeding van een kind. Daarom vinden we het belangrijk dat ouders weten wat er in de klas gebeurt en welke taal en uitgangspunten we daarbij gebruiken. Voorafgaand aan de training is er een ouderavond waarin we de Regenboogtraining en onze kijk op gedrag en conflicten toelichten. Bij enkele lessen kunnen ouders aansluiten. Zo kunnen zij zien hoe de kinderen met elkaar oefenen, hoe de leerkracht begeleidt en hoe zij hier thuis op kunnen aansluiten.

En natuurlijk is het voor kinderen ook gewoon erg leuk als hun ouders een keer meedoen!

 

Voor meer informatie over Regenboog en wat BVS biedt:

-Het kinderspel 

-Het lerarenspel

-De Train de Trainer Regenboogtrainer bij BVS of op locatie

-Regenboogtraininginterventie door trainers van BVS

Zie website: Regenboog lessenserie in de klas – stichting BVS

Geplaatst op

BVS IN HET NIEUW

Een nieuwe uitstraling met een duidelijke verbinding met de wortels van BVS in de vrijeschoolpedagogiek. Dat was het uitgangspunt voor onze nieuwe huisstijl.

De naam BVS blijft behouden: een bekende en vertrouwde naam binnen het vrijeschoolveld. Wel verandert de officiële naam van BVS-schooladvies naar BVS.

 

Van uitgangspunten naar beeldtaal

In het ontwerpproces onderzochten we eerst de visuele taal van de vrijeschoolwereld en ook onze eigen geschiedenis. Wat maakt BVS herkenbaar? En wat willen we in de nieuwe visuele identiteit laten zien? We kwamen steeds terug bij een aantal uitgangspunten: ambacht, de menselijke hand, heldere kleur, een organische vorm en een frisse, tijdloze uitstraling.

BVS wil duidelijk kleur bekennen als organisatie die vrijescholen begeleidt en werkt vanuit de antroposofische menskunde. Tegelijkertijd moest de nieuwe stijl niet terugkijken, maar juist eigentijds en toekomstgericht zijn. Een herkenbare beeldtaal die past bij de vrijeschoolwereld, maar daarbinnen ook met een nieuwe toon.

Op zoek naar het logo

Vanuit die uitgangspunten zijn verschillende richtingen onderzocht. Van een woordbeeld en een logo dat vanuit denken, voelen en willen werd ontwikkeld, tot een steviger typografisch logo en een richting waarin juist zeefdruk, ambacht en de menselijke hand centraal stonden. Uiteindelijk kwamen verschillende elementen samen.

De vorm van de vijfhoek werd een belangrijk uitgangspunt. Deze vorm verwijst naar de ontwikkelende mens en kan worden gezien als een beeld voor mens, harmonie en bescherming. Tegelijkertijd heeft de vorm iets huiselijks: een vijfhoek doet denken aan een huis en daarmee aan een plek waar mensen kunnen ontwikkelen en samenkomen.

Ook het ambacht is een belangrijke laag in het ontwerp. Juist nu beelden steeds gemakkelijker door technologie en AI worden gemaakt, willen we iets zichtbaar maken van het menselijke maken: de hand, het materiaal, de imperfectie en het ambachtelijke proces. Een belangrijke inspiratiebron hiervoor waren de Stockmar-blokkrijtjes, die op veel vrijescholen worden gebruikt. Wanneer je met de vlakke kanten van de krijtjes werkt, ontstaan kleurvlakken in plaats van harde lijnen. Die eenvoudige, organische vormen vormden een basis voor het nieuwe beeldmerk.

 

Door deze elementen te combineren draagt BVS vanaf nu een logo dat gelaagd en menselijk is en tegelijkertijd helder.

 

De nieuwe huisstijl voeren we de komende tijd verder door. Ook hierin willen we tactiliteit en ambacht meer een rol laten  spelen. Later dit jaar volgen verschillende publicaties in de nieuwe stijl. 

Beelden uit het proces. 

Geplaatst op

WALDORF ONE WORLD

Start jij deze week je klas op? Werk je op een vrijeschool? Maak jij dit jaar plaats in je klas vrij voor een werelds perspectief? Een klein hoekje, plankje of tafeltje, waar de wereld zichtbaar is? Een wereld waar andere kinderen ook naar de vrije school gaan en ook hun dag opstarten? Alle kinderen zijn wereldkinderen, ook die bij jou in de klas!, Zullen we zorg dragen voor elkaar en elkaar de hand reiken? Doe mee met acties voor het Internationaal Hulpfonds!

Geschiedenis
Toen in 1958 de eerste vrijescholen in Zuid-Afrika werden opgericht, stond ook de vrijeschoolbeweging in Nederland nog aan het begin van haar ontwikkeling. Toch was het enthousiasme groot. De eerste Nederlandse vrijeschoolleerlingen stroomden succesvol door naar universiteiten en andere vervolgopleidingen. Het succes van deze vorm van onderwijs trok internationaal de aandacht en inspireerde pioniers in verschillende landen.

In Johannesburg startte een Nederlandse kleuterleidster een kleuterklas, terwijl in Kaapstad met hulp van Nederlandse leerkrachten een onderbouw werd opgezet. Deze ontwikkelingen vonden plaats tijdens de apartheid, een periode waarin onderwijs sterk werd beperkt door raciale ongelijkheid. Zwarte kinderen hadden slechts beperkte toegang tot onderwijs en hun kansen op verdere ontwikkeling waren gering.

Ondanks deze omstandigheden groeide de vrijeschoolbeweging. De Nederlandse vrijeschoolpionier Max Stibbe speelde hierbij een belangrijke rol met de oprichting van een school in Pretoria. Ook andere Nederlandse leerkrachten hielpen mee aan de verdere ontwikkeling van het vrijeschoolonderwijs in Zuid-Afrika.

De verhalen over apartheid, armoede en ongelijkheid maakten diepe indruk op veel mensen in Nederland. In 1985 ontstond een belangrijke nieuwe stap. Een vrijeschool in Durban ontving een aanzienlijke erfenis waarmee kansarme kinderen en scholen konden worden ondersteund. Dit vormde mede de aanleiding voor de oprichting van het Internationaal Hulpfonds (IHF), dat zich sindsdien inzet voor vrijeschoolinitiatieven wereldwijd.

Vanaf het begin werd duidelijk dat de betrokkenheid van Nederlandse vrijescholen van grote waarde zou zijn. Scholen organiseerden sponsoracties, sportdagen, markten en andere creatieve activiteiten om geld in te zamelen. Dankzij deze steun kon het fonds groeien en steeds meer projecten ondersteunen.

Na het einde van de apartheid nam de vraag naar goed onderwijs verder toe. Veel kinderen uit achtergestelde gemeenschappen kregen toegang tot scholen, maar hun gezinnen beschikten vaak over beperkte financiële middelen. Ook vandaag de dag zijn de gevolgen van armoede en onderwijsachterstanden nog zichtbaar in veel delen van Zuid-Afrika en andere landen.

Tegelijkertijd ontstonden overal ter wereld nieuwe vrijeschoolinitiatieven. Zo werd in India een van de eerste vrijescholen opgericht door de Nederlander Daan van Bemmelen. Inmiddels zijn er wereldwijd honderden vrijescholen actief. Vaak beginnen deze scholen met een klein initiatief van enkele bevlogen mensen die geloven in de kracht van onderwijs en ontwikkeling.

Wat deze scholen met elkaar gemeen hebben, is hun inzet voor kinderen die vaak opgroeien onder moeilijke omstandigheden. Leerkrachten werken met grote toewijding, terwijl ouders en lokale gemeenschappen zich inzetten om onderwijs mogelijk te maken. Ook de impuls om vanuit de lokale cultuur het curriculum te verrijken, is op meerdere plekken in de wereld de norm.

Het Internationaal Hulpfonds ondersteunt deze initiatieven, maar de behoefte aan hulp groeit sneller dan de beschikbare middelen. Daarom blijft betrokkenheid vanuit scholen, ouders, leerlingen en donateurs belangrijk. Sponsorlopen, inzamelingen, markten en andere acties kunnen een waardevolle bijdrage leveren.

Onder het motto Waldorf One World werken vrijescholen wereldwijd samen aan dezelfde missie: kinderen de kans geven zich te ontwikkelen vanuit handen, hart en hoofd. Door samen verantwoordelijkheid te nemen, kunnen we bijdragen aan een toekomst waarin meer kinderen toegang krijgen tot inspirerend en menswaardig onderwijs.

Doet uw school ook mee?

Kijk op www.internationaalhulpfonds.nl/acties

Geplaatst op

HET WEKKEN VAN DE WIL

Conferentie ‘Het wekken van de wil’ – een dag vol ontmoeting, verwondering en beweging

 

Op maandag 8 juni bezocht ik als deeltijdstudent van de Vrijeschool Pabo de conferentie Het wekken van de wil op het Rudolf Steiner College in Rotterdam. Samen met honderden vrijeschoolleerkrachten, schoolleiders, begeleiders, bestuurders en studenten liep ik als een stroom van mensen door de straten van Kralingen richting het prachtige schoolgebouw.

 

 

Op het groene binnenplein ontvingen we een gekleurd polsbandje, koffie of thee en maakten we de eerste contacten met collega’s uit het hele land. Terwijl iedereen nog rustig stond te praten, klonken vanuit het gebouw plotseling trommels. De verschillende kleuren bandjes bleken bij vlaggen te horen, waardoor we ons spontaan in groepen verzamelden. Wat volgde was een soort flashmob in de aula: ruim vierhonderd mensen die samen een improvisatie van ritmes, zang en beweging creëerden. Trommels, klappen, stemmen en gelach vulden de ruimte. De toon van de dag was gezet. De conferentie kon beginnen.

 

 

 

 

Het gewisse en het ongewisse

 

Na een korte opening door leerlingen en docenten van het Rudolf Steiner College begon de keynote van Elard Pijnaken, opleidingsmanager van de Vrijeschool Pabo, de opleiding Docent Muziek en de opleiding Dans/Euritmie van Hogeschool Leiden, en Nelleke Vantilborgh, docent Nederlands op het Rudolf Steiner College.

 

 

Hun verhaal over het wekken van de wil was niet alleen inspirerend, maar vooral heel herkenbaar. Ze namen ons mee in hun eigen onderwijspraktijk en onderzochten samen met ons de spanning tussen het gewisse en het ongewisse. Nelleke vertelde hoe zij bewust na het stellen van een vraag haar leerlingen bedenktijd geeft. Elard deelde een anekdote over zijn eerste toneelles rondom Romeo en Julia, waarbij hij met leerlingen naar de markt trok om inspiratie op te doen voor personages. Het avontuur liep iets anders dan gepland: één leerling kwam terug met een bloedneus omdat hij zijn personage volgen iets te letterlijk had genomen. De vraag die bleef hangen was: hoeveel ruimte durven wij als leraren te geven aan het onverwachte? Hoe ga je om met het voorspelbare? En hoe wek je in beide de wil van leerlingen?

 

 

De conferentie had als doel deelnemers meer inzicht te geven in wat de wil eigenlijk is, hoe je die bij jezelf en bij leerlingen kunt aanspreken en hoe een formatieve cultuur daaraan kan bijdragen. Gedurende de dag werd dat niet alleen besproken, maar vooral ook ervaren.

 

 

 

Werkgroep 1: Het richten van de wil

 

Voor de eerste werkgroepronde koos ik voor Het richten van de wil van Paul van Meurs. Vanuit het vormtekenen onderzochten we hoe ontwikkeling begint bij beweging en uiteindelijk leidt tot vorm. Al tekenend ervoeren we zelf aan den lijve dat iedere vorm vraagt om concentratie, een meegeven en vertrouwen, wat voortdurend wakkerheid van je vraagt.

 

Wat mij vooral aansprak was dat we niet alleen luisterden naar theorie, maar vooral zelf aan het werk gingen. Het werd heel concreet hoe vormtekenen, per leerjaar, kan bijdragen aan het richten van de wil én aan het tot vorm komen van het denken. De wil in denken brengen. Vooral het met z’n vieren gelijktijdig vormtekenen maakte indruk. Op het moment dat we gezamenlijk in een ritme kwamen en alleen nog het geluid van de bewegende potloden hoorbaar was, ontstond er een bijzondere concentratie en verbondenheid. Een werkvorm die ik zeker wil meenemen naar mijn eigen lessen.

 

 

 

 

 

Spel, ontmoeting en beweging

 

Na de ochtend was het tijd voor de lunch. Opnieuw zochten we de deelnemers met dezelfde kleur bandjes op. Voor iedereen stond een lunchpakket klaar, maar daarin bleek meer verstopt te zitten dan alleen heerlijke broodjes van Jordy’s Bakery. Eén persoon uit elke groep ontdekte dat hij of zij de spelleider was. De anderen vonden geheime opdrachten.

 

 

Met onze groep liepen we naar het Kralingse Bos, waar we picknickten en verschillende balspellen speelden. Mijn geheime opdracht luidde: doe alsof je er niets van begrijpt. Anderen moesten juist doen alsof ze nergens zin in hadden. Het zorgde voor hilarische situaties. Tegelijkertijd werd zichtbaar hoe groepsdynamiek ontstaat en hoe kleine impulsen invloed hebben op samenwerking en initiatief. Zonder dat het expliciet werd benoemd, ervoeren we opnieuw waar de conferentie eigenlijk over ging: wilskracht ontstaat vaak in ontmoeting, spel en beweging.

 

 

 

Werkgroep 2: Noodpedagogiek Nederland

 

In de middag sloot ik aan bij de werkgroep Noodpedagogiek Nederland van Francis van Maris en Marije Kuijt. We onderzochten hoe trauma doorwerkt bij kinderen die leven in oorlogssituaties, natuurrampgebieden of in moeilijke omstandigheden dichter bij huis. Na een korte introductie over trauma en de invloed daarvan op de ontwikkeling en het gedrag van kinderen, maakten we kennis met verschillende praktische oefeningen.

 

 

 

Wat mij vooral bijbleef, was de nadruk op de kracht van beweging, spel, kunstzinnige activiteiten en het samenzijn in de kring. Juist deze elementen, die zo vanzelfsprekend lijken binnen het vrijeschoolonderwijs, kunnen kinderen helpen om weer veiligheid, rust en veerkracht te ervaren. Tijdens de oefeningen ervoer ik zelf hoe ritme en spel zorgen voor rust in je hoofd en verbinding.

 

 

Het mooie was dat ik de opgedane inspiratie meteen kon meenemen naar mijn stage en mijn kunstlessen op een AZC. De volgende dag heb ik verschillende balspellen en ritmische oefeningen uit de workshop toegepast. Het sloeg direct aan. Kinderen hunkeren naar dit samenzijn in een kring.

 

 

 

30 werkgroepen vol inspiratie

 

Wat mij daarnaast opviel, was de enorme keuze aan workshops. De conferentie bood maar liefst 30 verschillende werkgroepen, verdeeld over de thema’s menskunde, formatief handelen en kunst & ambacht. Hierdoor kon iedere deelnemer een eigen programma samenstellen dat aansloot bij zijn of haar onderwijspraktijk.

 

 

 

Tijdens de pauzes en wandelingen sprak ik verschillende medestudenten en leerkrachten die enthousiast vertelden over de werkgroepen die zij hadden gevolgd. Juist die ontmoetingen gaven een mooi beeld van de rijkdom van de conferentie.

 

 

Zo vertelde een medestudent enthousiast over de werkgroep ‘Moed, wil en toeval’. Daar maakten deelnemers kennis met de naaimachine als creatief gereedschap. Met lapjes stof, kleur en verschillende materialen ontstonden kleine landschappen en kunstwerken. Het ging niet zozeer om perfectie of techniek, maar juist om het durven experimenteren. Toeval en fouten bleken onderdeel van het proces en leverden vaak de mooiste resultaten op.

 

 

 

Wat ik mooi vond, was dat iedere deelnemer met andere verhalen terugkwam. De één was geraakt door een kunstzinnige werkvorm, de ander door een verdiepend gesprek over pedagogiek of een praktische oefening voor in de klas. 

 

 

Luchtige afsluiting

 

De dag werd afgesloten door improvisatietrio Op Sterk Water. Met hun humor en improvisatietalent wisten zij moeiteloos situaties uit de conferentie terug te laten komen in hun voorstelling. Een ontspannen en verbindende afsluiting van een intensieve dag.

 

 

 

 

Ik kijk terug op een waardevolle dag vol nieuwe inzichten, mooie ontmoetingen, praktische handvatten en hernieuwde motivatie voor mijn eigen ontwikkeling als vrijeschoolleerkracht.

 

Sanne Verhoeven

 

 

Geplaatst op

 Directiewissel

 
“Vanaf 1 april zwaai ik af als directeur/bestuurder van BVS-schooladvies om als opleidingsmanager van de Vrijeschool pabo, de opleiding docent muziek en de opleiding dans/euritmie van Hogeschool Leiden te gaan werken. Ruim zes jaar heb ik met ontzettend veel plezier gewerkt aan het versterken, verbeteren en verdiepen van vrijeschoolonderwijs. Ik heb me verbaasd over de wendbaarheid, de innovatiekracht van BVS en de beweeglijkheid van zowel alle vaste medewerkers als de kring van zzp-ers die aan BVS verbonden zijn. Een inspirerend gezelschap dat ik uiteraard ga missen.
Dankbaar ben ik voor alle scholen, die ingewikkelde vragen stelden, onmogelijke kwesties voorlegden en steeds gepassioneerd aan hun vrijeschoolonderwijs wilden werken. Dankbaar omdat zoveel scholen mijn leermeester werden, door samen op avontuur te gaan. We stapten het ongewisse in, opzoek naar richting. En de horizon veranderde steeds tijdens onze tocht. Dankbaar voor de bezieling waarmee vrijeschoolonderwijs vorm kreeg tijdens onze reis. Bezieling waar zoveel nood aan is in een nogal verwarrende samenleving. Dankbaar voor de kinderen en pubers die in mijn voorbijgaan moeite namen een praatje te maken en soms ongewild een glimp van hun binnenkant toonden.
 
Blij ben ik om het stokje vanaf 1 april aan Hans Passenier, van wie ik zes jaar geleden het stokje overnam,  weer over te dragen. Hij is tot de zomervakantie directeur/bestuurder van BVS. “
 
Elard Pijnaken
 
“Vanaf 1 april ben ik gestart met de opvolging van Elard. Fantastisch om te zien wat er allemaal gebeurd is en nog staat te gebeuren. Ik hoop spoedig met iedereen weer contact te hebben vanuit mijn rol als interim directeur/bestuurder. Ik zie er naar uit om mijn steentje bij te dragen aan de versterking van het vrijeschoolveld voor een korte periode.” 
Hans Passenier 
Geplaatst op

BVS gaat verhuizen!

BVS gaat op 1 juli 2026 verhuizen. Samen met de Vereniging van Vrijescholen en de Antroposofische Vereniging, verhuist BVS-schooladvies naar de Villa op landgoed de Reehorst te Driebergen, Hoofdstraat 20.
 
Hiermee wordt een lang gekoesterde wens gerealiseerd om de verschillende vrijeschoolorganisaties en antroposofische werkvelden onder één dak met elkaar te verbinden. Naast enkele kantoren, staan er prachtige zalen tot onze beschikking. De Villa ligt in een prachtige omgeving op loopafstand van station Driebergen-Zeist.
 
In 1969 werd dit landgoed aangekocht door professor dr. B.J. Lievegoed (1905-1992). Hij richtte in 1971 de Vrije Hogeschool op die de villa ruim vier decennia als hoofdgebouw gebruikte. In 2015 werd de monumentale villa door brand verwoest en verhuisde de Vrije Hogeschool. Wij hopen dat de inmiddels volledig gerenoveerde Villa een broedplaats voor vernieuwing en verdieping wordt! En hopen je daar komend schooljaar te ontmoeten!
 

Geplaatst op

Praktijkgerichte programma’s op de vrijeschool

I.v.m. een beleidswijziging rondom praktijkgerichte programma’s hebben we een werkgroep opgericht die twee jaar gewerkt heeft aan een stappenplan om met deze programma’s het (vrijeschool)onderwijs te versterken binnen de vrijeschool. Het praktijkgerichte vak is een examenvak in de gemengde en theoretische leerweg (gl en tl) van het vmbo vanaf schooljaar 2024-2025. Ook binnen de havo mogen scholen starten met het praktijkgerichte programma vanaf schooljaar 2026-2027. Scholen kunnen ervoor kiezen om één of meer praktijkgerichte programma’s aan te bieden binnen deze leerwegen. In dit stappenplan geven we aan op welke wijze passend bij de eigen context een Praktijkgericht Programma Persoonswording (PGPPW) vorm kan krijgen.

Dit stappenplan biedt scholen de mogelijkheid om het curriculum te herzien vanuit meer praktijkgericht onderwijs. BVS-schooladvies (BVS) begeleidt scholen in dit proces van inrichten, implementeren en borgen binnen de school.

De werkgroep is ondersteund door de vrijeschoolbesturen en bestond uit een aantal docenten en leidinggevenden die kartrekker waren van dit programma binnen hun school.

Dit stappenplan is voor leidinggevenden en projectleiders die bezig zijn met onderwijsvernieuwing binnen de school.

BVS-schooladvies ondersteunt bij het integreren van praktijkgerichte programma’s in het vrijeschoolonderwijs. We onderzoeken per school hoe het in te passen is en begeleiden de fases van implementatie en borging. 

Meer informatie? Lees meer op onze website of neem contact op met Ninke Beunk.

 

 

Geplaatst op

MISSCHIEN WISTEN ZIJ ALLES

Gisteren was er een open ochtend bij ons op school.
Voor het eerst geen ochtend vol peuters met grote ogen en ouders die dromen van de eerste schooldag.
Maar een open ochtend met ouders van kinderen uit hogere klassen. Zij-instroom. Heel veel zij-instroom.

Verschillende scholen. Verschillende verhalen.
En toch… hetzelfde geluid.

De druk is te hoog.
Prestatiedruk.
De resultaten voor rekenen en taal moeten omhoog,
Het tempo van de dag, van de lessen, van de verwachtingen.
Efficiënte leertijd. Geen ruimte om te verslappen. Geen ruimte om te vertragen. Geen ruimte om werkelijk kind te zijn. 

En wat er dan overblijft;  de creatieve vakken, het maken, het bewegen, het verbeelden, verdwijnt steeds verder naar de randen. Bijzaak geworden. Iets voor als er tijd over is.

Gisteravond zit ik aan tafel bij een presentatie van het samenwerkingsverband.
Vorig schooljaar zaten 27 kinderen thuis, uitgevallen.
Dit schooljaar  (en het is pas januari) al bijna het dubbele.

Een paar maanden geleden stond ik, op uitnodiging van een ander bestuur, een lezing te geven over sturen op een goed pedagogisch klimaat.
In beide bijeenkomsten hoor ik hetzelfde spanningsveld terug:
We bewegen richting inclusiever onderwijs, en tegelijkertijd lijken de extremen groter te worden. Complexere hulpvragen. Moeilijk hanteerbaar gedrag. Agressie van ouders. Meer uitval.

En dan zegt iemand terloops:
“Ach ja, wij hebben ook wel eens dreiging gehad van zwaar geweld, maar ach… misschien zijn we hier in deze regio niet zoveel gewend.”

Ik blijf erop hangen.
Is dit berusting?
Vermoeidheid?
Beroepsdeformatie?
Of is dit wat we inmiddels normaal zijn gaan vinden?

En waarom voelt het soms alsof ik de enige ben die zich hier niet bij neer wil leggen?

Zou er een verband zijn?

Wat vragen deze kinderen, onze kinderen, in deze tijd eigenlijk van ons?

We spreken vaak over een tijd van verandering.
Maar misschien leven we eerder in een verandering van tijdperk zoal Jan Rotmans dit omschrijft. 
En misschien zijn dit de stuiptrekkingen van een systeem dat op zijn grenzen loopt?

De vraag is niet meer of het anders moet.
De vraag is of we het inmiddels erg genoeg vinden om écht anders te durven gaan doen.

Misschien zit de kern ook wel in ons taalgebruik?
We spreken over maatschappij; een woord dat al snel economisch wordt ingevuld: rendement, output, effectiviteit.
Wat als we het weer durven hebben over samenleving?

Wat als we opnieuw vertrouwen dat niet alles wat waardevol is, direct meetbaar hoeft te zijn?
Dat kinderen soms iets mogen leren om het later weer even te vergeten,
in het vertrouwen dat het ergens onderweg zijn werk doet.

Misschien hoeven kinderen niet steeds beter te presteren op korte termijn.
Misschien mogen ze zich weer ontwikkelen tot evenwichtige mensen.
In verbinding met zichzelf.
Met de ander.
Met de wereld.

En misschien, heel misschien, is dat precies waar goed leiderschap van vandaag begint:
misschien niet bij nóg een interventie,
maar bij het blijven stellen van deze vragen.

Hardop 
En Samen. 

Amanda van der Tuuk 

*Naar de titel van mijn favoriete kinderboek.

Amanda van der Tuuk schreef aan de hand van onze opleiding schoolleider op een vrijeschool, deze column.

Wil je meer weten over de schoolleidersopleiding voor vrijeschoolonderwijs? Kom dan naar onze gratis voorlichtingsbijeenkomst. Hier vind je ook meer informatie en kun je je inschrijven voor de opleiding zelf.

Geplaatst op

Halen we alles uit het periodeschrift?

Leerlingen produceren elke drie weken een periodeschrift. Een gemiddelde leerling in het VO schrijft er al snel een zestigtal tijdens zijn schooltijd. Er wordt veel tijd en aandacht aan besteed, door leerlingen èn docenten. Maar halen we er alles uit wat eruit te halen valt? Past de vorm nog bij deze tijd? Wij geloven dat de verwerking van de periodestof interessanter en doelmatiger kan. Kunnen we leerlingen beter stimuleren in hun wilsontwikkeling, door hen meer autonomie in de verwerking te geven?

 

Op maandag 2 februari verzorgden Holden Lievestro en Jeanneke Brosky en ook oudgediende Paul van Meurs een webinar om met docenten PO en VO dit vraagstuk verder te verkennen. De grote groep van rond de 80 deelnemers liet zien dat het onderwerp breed leeft. Dit stimuleert ons om verder te gaan met dit onderwerp. In dit artikel delen we alvast wat elementen uit het webinar. In onze werkgroepen op de conferentie Het wekken van de wil op 8 juni 2026 werken we deze verder uit.

 

Heeft Steiner een bedoelding gehad met het periodeschrift? Frappant genoeg vonden wij, noch ons netwerk, noch de deelnemers aan het webinar in zijn werk iets over het gebruik van een schrift. We veronderstellen dat het in die tijd simpelweg de gangbare manier was om stof te verwerken. Uiteraard heeft de tijd geleerd dat er allerlei positieve effecten van deze werkvorm op het leerproces zijn, toen maar ook tegenwoordig. Bijvoorbeeld het je de stof eigen maken door er zelf woorden aan te geven en het beter onthouden doordat je schrijft. Over de bedoeling van het periodeschrift werd tijdens het webinar dan ook het verwerken van de leerstof – al dan niet op kunstzinnige of eigen wijze – het meest genoemd. 

 

Uit de korte groepsgesprekken bleek dat er op dit moment een grote variatie is in de kwaliteit van de periodeschriften, zowel in vorm als in inhoud. Sommige schriften bestaan uit overschrijfwerk (van het bord, de beamer of een medeleerling), andere schriften kennen veel meer eigenheid. Het lijkt vaak sterk van de docent afhankelijk wat er met het schrift gebeurt. Het geven van meer autonomie aan de leerlingen in het kiezen van een eigen verwerking, vraagt van de docent om los te kunnen laten, wat velen ervaren als een spannend proces is. Steun van collega’s en een gezamenlijke aanpak daarbij is ondersteunend en stimulerend. 

 

Docenten zien veel mogelijkheden en kansen die het periodeschrift biedt. Van meer afwisseling en differentiatie tot het oefenen van executieve vaardigheden en het inzetten van digitale middelen. Een greep uit de genoemde alternatieve verwerkingsvormen: een boekendoos, lapbook, podcast, film, poster, harmonicaboekje, schema’s, tekeningen, woordspin, strip en een stappenplan. Als stip op de horizon zagen wij een leerlijn periodeschrift van klas 1 tot en met klas 12 passend bij de verschillende leeftijdsfases. 

 

De tijd lijkt rijp om het periodeschrift kritisch onder de loep te nemen. Wij werden enthousiast om met dit thema verder te gaan. Jij ook? Je kunt je aanmelden voor de werkgroepen Waar blijft het periodeschrift op de conferentie (er komt een PO- en een VO-groep), maar we willen ook een landelijke werkgroep oprichten die een paar keer bij elkaar komt om ervaringen te delen en wellicht tot een publicatie te komen. 

 

Wil je op school ook aan de slag met de rol van het periodeschrift in het periodeonderwijs? We verzorgen trainingen en begeleidingen op maat. Neem contact met Holden Lievestro of Jeanneke Brosky.